Tandvlees

‘Op je tandvlees lopen’ is naar mijn innige overtuiging geen eenvoudige bezigheid. Ik vermoed dat de mens het in een vroege fase van de evolutie wel eens heeft geprobeerd, maar dat het wegens gebrek aan succes niet is gecontinueerd. De stapjes die die vroege mens via het tandvlees maakte waren vermoedelijk te klein en dus ging men armen en benen ontwikkelen. Waarbij uiteindelijk de benen het wonnen als het ging om de functie van het voortbewegen.
De uitdrukking ‘op je tandvlees lopen’ is intussen wel gebleven en zal dus al gauw enkele miljoenen jaren oud zijn. Je zou dan verwachten dat het de betekenis heeft van ‘iets onhandigs doen’ of ‘iets onmogelijks volvoeren’. Maar nee hoor, het betekent dat je uiterst vermoeid bent. Dat bewijst maar weer eens welke kromme wegen de ontwikkeling van een taal bewandelt.
Zo’n uitdrukking die niet de betekenis heeft die je zou verwachten, wordt natuurlijk ook makkelijk verbasterd of gecombineerd met een andere uitdrukking. Vooral sporters zijn daar in hun commentaren kort na de wedstrijd heel bedreven in.
Wat dacht u van deze varianten:
‘In de pauze van de wedstrijd zaten we echt op ons tandvlees.’
‘Goed, we verloren. Maar daar krijg je eelt van op je tandvlees.’
‘We hebben het achterste van ons tandvlees laten zien. Maar het mocht niet baten.’
‘Onze tegenstanders hadden haar op hun tandvlees, ze waren te sterk voor ons.’
‘We moesten stevig op ons tandvlees bijten.’
Zelf denk ik dat ik deze nieuwe variant een keer ga lanceren:
‘Hij liep weer eens met andermans tandvlees te pronken.’
Wie weet haal ik er ooit de Van Dale mee.

Als je graaft vind je altijd wel een wandelstok

Ik droomde dat ik met mijn vader op de vlucht was voor een horde Hunnen.
We liepen en liepen door de toendra en kregen verschrikkelijke dorst.
In de verte zag ik een boom omvallen en ik zei tegen mijn vader: dat is een teken!
Zou kunnen, antwoordde hij met kalme stem.
Mijn vader was een Indiaan, zag ik.
Gebruind en tanig, met diepe groeven in zijn gelaat.
Bij de boom gekomen trokken we de grotendeels vermolmde wortels met gemak uit de grond.
Daarna begonnen we met ons handen te graven.
Handenvol aarde gooiden we achter ons en het gat werd dieper en dieper.
Toen trok mijn hand een stok uit de aarde, het bleek een wandelstok van bamboe te zijn, met een rond handvat.
‘Als je graaft vind je altijd wel een wandelstok’, was het commentaar van mijn vader.
We groeven verder.
En já, na enige tijd begon het gat vol te lopen met water.
Eerst modderig, daarna steeds zuiverder.
Met mijn hand kuipte ik wat van dat water en bood het mijn vader aan.
‘Goed water’, zei hij glimlachend.
Daarna proefde ik zelf ook. Heerlijk!
Maar in de verte was alweer het paardengetrappel te horen van de naderende Hunnen.
We moesten snel verder!

Gooien met groente

Mag je met groente gooien? Met deze vraag werd ik vandaag wakker. Mijn eerste reactie: nee, want de kindertjes in China snakken er naar.
Dat is het antwoord dat je vroeger altijd van je ouders kreeg als je iets niet lustte en probeerde het in de vuilnisbak te gooien.
Of in de wc met de gedachte: daar komt het uiteindelijk toch terecht.
Erg overtuigend was het ouderlijk antwoord niet, want hoe zouden de spruitjes op mijn bord een kind in China kunnen plezieren?
Zouden we ze kunnen opsturen? Van mijn zakgeld?
Als ik die tactiek uitprobeerde hakte mijn moeder de discussie door: opeten en geen gezeur!
Pas onlangs heb ik ontdekt dat spruitjes best lekker kunnen zijn, als je ze kort kookt en niet tot bijna-puree zoals mijn moeder dat deed.

Maar ik begin – dat krijg je als je wat ouder wordt – af te dwalen van de vraag: mag je met groente gooien?
Ik vind dat het mag, MITS UIT ZELFVERDEDIGING.
Met mijn gade heb ik hierover overleg gepleegd.
Het handigst lijkt ons een paar ronde witte kolen voor je voeten, die je een doodschop kan geven als de vijand dichterbij komt. Test tevoren even uit tot hoe groot je ze kan hebben, want zo’n kool kan vrij zwaar worden. Tot 3 á 4 kilo!
Ter vergelijking: een voetbal weegt maar 450 gram!
Hopelijk lukt het om met deze projectielen de vijand op afstand te houden, want in het man-tegen-man-gevecht doe je weinig met groente.
Aan bladgroente bijvoorbeeld heb je eigenlijk niks, al kan een ijsbergsla als voetbal nog wel wat schrik aanjagen, mits in plastic verpakt (anders valt hij uit elkaar).
Tot een meter of twintig is het wegschoppen van dit soort groot-groente het best.
Komt de vijand dichterbij dan is tot een meter of 10 afstand gooien met groente de goede tactiek. Paprika’s en tomaten lenen zich daarbij  uitstekend voor. Nee, het maakt niet uit of het groene of rode paprika’s zijn, al is het denkbaar dat rode paprika’s meer schrik aanjagen.
Tomaten kun je het best in overrijpe staat gebruiken.
Harde uien zijn ook prima projectielen.
Komt de vijand nog dichterbij dan kan een handvol rode pepers nuttig zijn, mits tevoren even gekneusd zodat het sap eruit komt.
Helpt ook dat niet en wordt het een man-tegen-man gevecht dan is de komkommer je beste vriend.
De biologische is wat taniger dan de vetgemeste kas-komkommer en gaat dus wat langer mee.
Maar over het algemeen moet je er van uitgaan dat je hooguit twéé slagen met een komkommer kan doen.
Dus wordt het vermoedelijk toch al snel tijd voor het finale wapen.
Niemand heeft gezegd dat de vechtgroente vers moet zijn. En dus, voor de rotklap die aan het gevecht een eind maakt: het pak bevroren spinazie-a-la-creme.
A la crème omdat dat een extra stevigheid geeft aan het pak.
Een kilo van die keiharde substantie met enige kracht op het hoofd van je tegenstander geleld, maakt van elke agressieve aanvaller een gedwee mens, dat lusteloos aan je voeten ligt.
Veel succes!

Dafne

‘Ik ben wel een beetje moe,’ hoor ik Dafne Schippers op de televisie zeggen. Dat is nou typisch iets van de huidige generatie. Verdeeld over 5 dagen heeft ze op het atletiekkampioenschap in totaal 700 meter gehold. Een kippeneindje.
En zo te zien zich maar één keer echt ingespannen, voor de 100 en 200 meter hollen finale.
Ik weet niet wat dat is met die jongeren van nu.
Ik moest vroeger al elke ochtend 700 meter op topsnelheid draven om vanuit tuinstad Slotermeer de Blauwe Tram naar Haarlem te halen.
Dat kwam omdat ik altijd te laat was. Maar hoorde je mij klagen? De lange saaie werkdag moest dan nog beginnen.
Maar ik gaf geen kik!

Uit de kast

Ik geloof niet dat ik dit ooit aan iemand verteld heb.
Vermoedelijk omdat het geen gangbaar gespreksonderwerp is, niemand in mijn omgeving heeft het er ooit over. En ik kijk wel uit.
Er is bij de Munt in Amsterdam een winkel die er in handelt en elke keer als ik er vroeger langs kwam (ik woonde in de buurt) voelde ik weerzin.
Terwijl velen er van schijnen te houden.
Het was in oorsprong namaak van een veel verfijnder Chinese variant maar als ik de mensen van Kunst en Kitsch mag geloven maakten de Chinezen later onze afbeeldingen weer na.
Dat zou voor iedereen voldoende moeten zijn om er enige waardering voor op te brengen.
Maar dat lukt mij niet.
En het wordt tijd om ermee uit de kast te komen.
Ik vind het lelijk, ik vind het smakeloos, ik HAAT Delfts Blauw.

Doof

Vanuit de kwartel-gemeenschap bereikt mij het bericht dat een aantal van hen heeft meegedaan aan de online hoortest van
http://www.oorcheck.nl/test-jezelf/hoortest/
En het resultaat: allen bleken een perfect gehoor te hebben!
De uitdrukking ‘zo doof als een kwartel’ is dan ook niet correct, zo deelt de woordvoerder van de kwartel-gemeenschap mee. Hij vervolgt:
‘De vermoedelijk oorzaak van het misverstand ligt in het feit dat wij roerloos op onze plek blijven zitten als een mens nadert. Dat is onze natuurlijk schuilhouding.
Pas als de mens heel dichtbij komt vliegen wij op. Dat heeft bij de mens het idee doen postvatten dat wij doof of ten minste slechthorend zijn. Dat is onjuist.
Ik kan hier natuurlijk alleen spreken namens de Europese kwartelgemeenschap Coturnix Excelsior!
Mogelijk hebben andere kwartelsoorten wel gehoorstoornissen. Daar vindt onzerzijds onderzoek naar plaats.’
Waarvan akte!

Hoedje

‘Ik schrok me een hoedje,’ zei mijn gade.
‘Laat zien,’ vroeg ik.
Ze liep de gang in waar onze kapstok hangt en kwam triomfantelijk terug met een hoedje.
Meer een mutsje eigenlijk, dameshoeden zijn al 50 jaar uit de mode.
Maar toch, ze had zich een hoofddeksel geschrokken, hield ze vol.
Ik geloofde er natuurlijk niets van.
Hoe vaak ben ik niet zelf geschrokken?
Zonder resultaat?
De ergste keer was een jaar of twintig geleden toen ik op een avond naar huis fietste, een kruispunt passeerde en ineens een auto op me af zag komen die een bocht naar links nam en mij kennelijk niet had gezien.
Toegegeven, mijn voorlamp was stuk.
Met een paar harde pedaalslagen kon ik nog net voorkomen dat hij me aanreed.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Was me dát schrikken.
Maar hoe ik ook om me heen keek, geen hoedje te bekennen. Zelfs een petje kon er niet af.
Sindsdien weet ik zeker dat deze uitdrukking nergens op slaat.
Niemand schrikt zich een hoedje.
Etymologisch onderzoek leverde niets op over de herkomst van deze vreemde uitdrukking.
Vermoedelijk heeft een grappenmaker het een keer bedacht en er succes mee gescoord.
Ik gok op Toon Hermans.
Die had een goochelaarsact waarin het zou passen.

K

In 2001 stopte ik met roken.
Het werd me te vernederend om overal naar een rookplekje te zoeken.
Ik kon vervolgens tien maanden niet schrijven en elke keer als ik het probeerde stond er na enige tijd een leeg asbakje naast de computer.
Dat had ik er onbewust weer neergezet als onderdeel van het schrijfritueel. Maar na die tien maanden lukte het schrijven weer wat beter, al zal ik natuurlijk nooit meer mijn oude niveau halen.
Ik mis roken nu alleen nog in gezelschap.
Al die kwekkende mensen, daar heb ik me nooit zo bij thuis gevoeld.
Als je dan een sigaretje kon opsteken of uitvoerig een shagje kon rollen, dan kon je je even onttrekken aan de conversatie en werd je vanzelf teruggeworpen in de kring van luisteraars.
Dat vond ik prettiger.
Nu kan dat ontwijkgedrag niet meer, ik moet meedoen.
En ik merk dat ik zonder de controlerende werking van nicotine ga kakelen. Ik klets maar raak net zoals al die andere niet-rokers.
En er is nog iets.
Kennis die je opdoet is vaak gekoppeld aan de fysieke conditie die je tijdens het leerproces had.
Als ik veel gedronken heb weet ik weer precies hoe tijdschriften in warme offset gedrukt worden, omdat me dat uitgelegd is tijdens een lange avond in het cafe.
Bij roken is dat nog veel erger. Bijna 90% van wat ik weet is me geworden terwijl ik stevig aan een sigaretje pafte.
Dat ben ik nu allemaal kwijt.
Mijn geheugen is een gesloten schatkamer geworden.
Misschien zou ik die deur kunnen openen met een nicotinepleister op.
Maar ik heb een ander plan.
Elk mens heeft een redelijke kans op kanker en met mijn rookverleden is die kans vrij behoorlijk. En wat mag je met volle teugen doen als je toch al kanker hebt? Precies.
Roken! Mijn laatste maanden zal ik paffend thuis doorbrengen en eindelijk weer kunnen beschikken over al mijn geestelijke vermogens. Ik kijk er nu al naar uit.

‘è!’

Een jaar of 25 geleden, hij woonde nog thuis, spraken mijn jongste zoon en ik over de enorme verspilling aan woorden in het hedendaagse spraakgebruik.
Als iemand het huis verlaat vindt de volgende uitwisseling plaats: ‘Nou, ik ga maar eens…’ ‘Wanneer ben je terug?’ ‘Geen idee, ik zie wel.’ ‘Oké, tot ziens.’ ‘Tot ziens.’
Liefst 19 woorden ter begeleiding van een eenvoudig vertrek.
Dat moet de oermens toch veel simpeler gedaan hebben, leek ons.
Die zei bijvoorbeeld ‘A!’ voor ‘Kijk uit, het gaat stormen, buurman.’ En kreeg dan als antwoord een kortaf ‘Oh’ wat betekende: ‘Dat zie ik zelf ook wel, sukkel.’ Waarna een paar klappen over en weer de conversatie besloten.
Véél en veel efficiënter dan ons huidige taalgebruik. En je had meteen de benodigde lichaamsbeweging. Wij besloten de uitdrukking ‘è’ te gaan gebruiken als wederzijdse afscheidsgroet bij vertrek.
Wie van ons het pand verlaat zegt kortaf maar wel met enige stemverheffing ‘è!’ en krijgt dan van de achterblijver een even welgemeend ‘è!’ terug.
Dat werkt nu al 25 jaar tot onze volle tevredenheid en we moeten er honderden woorden mee uitgespaard hebben.
Onze stembanden profiteren ervan.
Bij het voortschrijden van de jaren denk ik af en toe wel eens aan mijn sterfbed. En wat mij dan opvrolijkt is het idee dat ik vóór het uitademen van de laatste zucht tegen de achterblijvers, waaronder mijn jongste zoon, kan roepen: ‘è!’.
En misschien hoor ik nog net op het nippertje zijn antwoord: ‘è!

Ziekenhuis

‘Ben jij goochelaar?’
De man die rechts tegenover mij lag op de 4-bedden-kamer richtte zich voor het eerst in verstaanbare taal tot mij. Hij was licht in de war, had ik van zijn familie begrepen, en was teruggekeerd tot het Katwijkse dialect van zijn jeugd. Een visserman. Hij sliep het liefst het hele etmaal door, maar opgepept door de fysiotherapeute en een luidkeelse Surinaamse verpleegster was hij toch af en toe op gaan zitten. Keek dan wat uilig voor zich uit en richtte zich tot zijn meest nabije buren met onverstaanbare zinnetjes. Ze knikten maar wat terug. Ik was de verste buurman en juist mij koos hij voor een verstaanbare vraag: ‘Ben jij goochelaar?’
Wat had ik er veel voor over gehad om hier ‘Ja’ op te kunnen zeggen. Wat is mooier dan te kunnen goochelen? Al kan je maar op elk gewenst moment een euro uit iemands oor halen, dan geeft dat toch een bijzonder genoegen. En status. En euro’s! Als ik ‘Jazeker, dat ziet u goed!’ had geantwoord zou de Katwijker er ongetwijfeld genoegen mee hebben genomen. Zijn span of attention was ongeveer 10 seconden en hij was zeker even later weer in slaap gevallen. En dan was ik toch 10 seconden in iemands hoofd een goochelaar geweest. Maar de twee andere patiënten, een man en een vrouw, beide in herstel-modus, keken mij oplettend aan. Ze zouden ongetwijfeld wat meer willen weten over mijn goochelaarskwaliteiten en misschien zelfs een proeve van vaardigheid vragen. ‘Nee, ik ben geen goochelaar,’ zei ik dus luid en duidelijk. Wel met spijt in de stem. De Katwijker draaide zich om en viel meteen in slaap.