‘è!’

Een jaar of 25 geleden, hij woonde nog thuis, spraken mijn jongste zoon en ik over de enorme verspilling aan woorden in het hedendaagse spraakgebruik.
Als iemand het huis verlaat vindt de volgende uitwisseling plaats: ‘Nou, ik ga maar eens…’ ‘Wanneer ben je terug?’ ‘Geen idee, ik zie wel.’ ‘Oké, tot ziens.’ ‘Tot ziens.’
Liefst 19 woorden ter begeleiding van een eenvoudig vertrek.
Dat moet de oermens toch veel simpeler gedaan hebben, leek ons.
Die zei bijvoorbeeld ‘A!’ voor ‘Kijk uit, het gaat stormen, buurman.’ En kreeg dan als antwoord een kortaf ‘Oh’ wat betekende: ‘Dat zie ik zelf ook wel, sukkel.’ Waarna een paar klappen over en weer de conversatie besloten.
Véél en veel efficiënter dan ons huidige taalgebruik. En je had meteen de benodigde lichaamsbeweging. Wij besloten de uitdrukking ‘è’ te gaan gebruiken als wederzijdse afscheidsgroet bij vertrek.
Wie van ons het pand verlaat zegt kortaf maar wel met enige stemverheffing ‘è!’ en krijgt dan van de achterblijver een even welgemeend ‘è!’ terug.
Dat werkt nu al 25 jaar tot onze volle tevredenheid en we moeten er honderden woorden mee uitgespaard hebben.
Onze stembanden profiteren ervan.
Bij het voortschrijden van de jaren denk ik af en toe wel eens aan mijn sterfbed. En wat mij dan opvrolijkt is het idee dat ik vóór het uitademen van de laatste zucht tegen de achterblijvers, waaronder mijn jongste zoon, kan roepen: ‘è!’.
En misschien hoor ik nog net op het nippertje zijn antwoord: ‘è!