Als je graaft vind je altijd wel een wandelstok

Ik droomde dat ik met mijn vader op de vlucht was voor een horde Hunnen.
We liepen en liepen door de toendra en kregen verschrikkelijke dorst.
In de verte zag ik een boom omvallen en ik zei tegen mijn vader: dat is een teken!
Zou kunnen, antwoordde hij met kalme stem.
Mijn vader was een Indiaan, zag ik.
Gebruind en tanig, met diepe groeven in zijn gelaat.
Bij de boom gekomen trokken we de grotendeels vermolmde wortels met gemak uit de grond.
Daarna begonnen we met ons handen te graven.
Handenvol aarde gooiden we achter ons en het gat werd dieper en dieper.
Toen trok mijn hand een stok uit de aarde, het bleek een wandelstok van bamboe te zijn, met een rond handvat.
‘Als je graaft vind je altijd wel een wandelstok’, was het commentaar van mijn vader.
We groeven verder.
En já, na enige tijd begon het gat vol te lopen met water.
Eerst modderig, daarna steeds zuiverder.
Met mijn hand kuipte ik wat van dat water en bood het mijn vader aan.
‘Goed water’, zei hij glimlachend.
Daarna proefde ik zelf ook. Heerlijk!
Maar in de verte was alweer het paardengetrappel te horen van de naderende Hunnen.
We moesten snel verder!