Ziekenhuis

‘Ben jij goochelaar?’
De man die rechts tegenover mij lag op de 4-bedden-kamer richtte zich voor het eerst in verstaanbare taal tot mij. Hij was licht in de war, had ik van zijn familie begrepen, en was teruggekeerd tot het Katwijkse dialect van zijn jeugd. Een visserman. Hij sliep het liefst het hele etmaal door, maar opgepept door de fysiotherapeute en een luidkeelse Surinaamse verpleegster was hij toch af en toe op gaan zitten. Keek dan wat uilig voor zich uit en richtte zich tot zijn meest nabije buren met onverstaanbare zinnetjes. Ze knikten maar wat terug. Ik was de verste buurman en juist mij koos hij voor een verstaanbare vraag: ‘Ben jij goochelaar?’
Wat had ik er veel voor over gehad om hier ‘Ja’ op te kunnen zeggen. Wat is mooier dan te kunnen goochelen? Al kan je maar op elk gewenst moment een euro uit iemands oor halen, dan geeft dat toch een bijzonder genoegen. En status. En euro’s! Als ik ‘Jazeker, dat ziet u goed!’ had geantwoord zou de Katwijker er ongetwijfeld genoegen mee hebben genomen. Zijn span of attention was ongeveer 10 seconden en hij was zeker even later weer in slaap gevallen. En dan was ik toch 10 seconden in iemands hoofd een goochelaar geweest. Maar de twee andere patiënten, een man en een vrouw, beide in herstel-modus, keken mij oplettend aan. Ze zouden ongetwijfeld wat meer willen weten over mijn goochelaarskwaliteiten en misschien zelfs een proeve van vaardigheid vragen. ‘Nee, ik ben geen goochelaar,’ zei ik dus luid en duidelijk. Wel met spijt in de stem. De Katwijker draaide zich om en viel meteen in slaap.